Marteronderzoek in Nederland: wanneer is het nodig en hoe werkt het?
Leestijd: 7 minuten
Publicatiedatum: 26 maart 2026
Auteur: Sander Hartog
Marters zijn geen dieren die je snel op de radar hebt als je een project voorbereidt. Toch kunnen ze een rol spelen in een vergunningstraject. Wordt er gebouwd, gesloopt of verbouwd in de buurt van hun leefgebied? Dan kan marteronderzoek verplicht zijn. In deze blog leggen we uit welke martersoorten beschermd zijn, wanneer onderzoek noodzakelijk is en hoe zo’n onderzoek in de praktijk verloopt.
Waarom zijn marters beschermd?
Het korte antwoord: omdat het slecht met ze gaat. Met name de kleine marterachtigen, zoals de bunzing, hermelijn en wezel zijn in de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan in Nederland en in grote delen van Europa. De grotere martersoorten, zoals de steenmarter en boommarter staan er beter voor. Hun populaties zijn de afgelopen decennia juist gegroeid, mede doordat de jacht op deze marters niet meer in trek is.
In Nederland leven diverse soorten marterachtigen, en een groot deel daarvan zijn wettelijk beschermd onder de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze wetten zijn er om deze soorten en hun habitat te beschermen. Concreet betekent dit dat het verboden is om beschermde marterachtigen opzettelijk te doden of te vangen, of hun vaste voortplantings- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen.
Als deze regels worden overtreden, kan dat leiden tot maatregelen zoals een last onder dwangsom of bij herhaaldelijke overtreding een boete. Het is dus belangrijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen goed rekening te houden met beschermde soorten zoals marterachtigen.
> Lees meer over beschermde soorten op een bouwlocatie of wat de Omgevingswet betekent voor jouw project
Welke beschermde martersoorten komen voor in Nederland?
In Nederland maken we onderscheid tussen de kleine marterachtigen en de grotere martersoorten. Ze delen een familienaam, maar verschillen sterk in ecologie, habitatvoorkeur en beschermingsstatus. We behandelen een aantal martersoorten.
Kleine marterachtigen: bunzing, hermelijn en wezel
De kleine marterachtigen omvatten de bunzing, de hermelijn en de wezel. Hoewel de drie soorten onderling sterk verschillen in gedrag en voorkeur, komen ze voor in een vergelijkbaar kleinschalig en gevarieerd landschap, zoals agrarisch land, gevarieerde bosgebieden en halfopen landschappen. Ze kunnen ook voorkomen in parken, aan dorpsranden en soms binnen de bebouwde kom.
De bunzing is de meest opportunistische van de drie. Hij komt voor in een breed scala aan halfopen en gevarieerde landschappen en maakt gebruik van holen van andere zoogdieren zoals konijnen of vossen, maar ook van boomholtes, materiaalhopen en holle ruimten tussen boomwortels. Het dieet bestaat voornamelijk uit muizen, konijnen, ratten, kleine vogels en amfibieën.
De hermelijn geeft de voorkeur aan natte gebieden maar kan vrijwel overal voorkomen waar voldoende dekking en voedsel aanwezig is. Hermelijnen zijn kieskeurig qua prooi, woelmuizen, ratten en konijnen vormen het hoofdmenu. Als verblijfplaats worden bij voorkeur holen van andere dieren gebruikt.
De wezel is de kleinste van de drie en gespecialiseerd in het vangen van woelmuizen. Wezels komen voor in vrijwel alle gebieden waar woelmuizen en voldoende dekking aanwezig zijn, met een voorkeur voor relatief droge, gevarieerde landschappen. Zowel cultuurlandschappen als meer natuurlijke biotopen worden benut.
De bunzing staat op de Rode Lijst van Zoogdieren als ‘kwetsbaar’, net als de hermelijn. De wezel staat vermeld als ‘gevoelig’. Alle drie de soorten zijn in bijna alle provincies beschermd onder de Omgevingswet.
Steenmarter
De steenmarter is de meest algemene en meest bekende martersoort in Nederland. De soort heeft een voorkeur voor versteende of rotsachtige gebieden en is in ons land dan ook sterk verbonden aan menselijke bebouwing. Structuurrijk agrarisch terrein met boerderijen, schuren en groenstructuren vormt het voorkeursgebied, maar steenmarters passen zich snel aan en komen tegenwoordig ook voor tot diep in stedelijk gebied.
Als verblijfplaats gebruiken steenmarters een grote variatie aan structuren: van boomholtes en materiaalhopen tot holten in gebouwen, zoals ruimten onder het dakbeschot of in verstoringsarme schuurtjes. Een territorium kan meerdere verblijfplaatsen bevatten. De steenmarter is omnivoor: kleine zoogdieren, vogels, eieren, amfibieën, ongewervelden en vruchten staan allemaal op het menu.
Boommarter
De boommarter is een bosdier bij uitstek en gebruikt een grote variatie aan bostypen en bosachtige terreinen. Omdat boommarters niet graag zelf graven, maken ze gebruik van bestaande holen van bijvoorbeeld konijnen of dassen, of verblijven ze in ruimten tussen boomwortels en materiaalhopen. Nesten worden bij voorkeur in bomen gemaakt, zoals in holen van eekhoorns en spechten of in rottingsholtes. Net als de steenmarter foerageert de boommarter opportunistisch op een breed dieet van kleine zoogdieren, vogels, eieren, insecten, vruchten en bessen.
De boommarter is een schuwe en voornamelijk nachtactieve soort die zich zelden laat zien. Overdag rust hij meestal in een nestplaats, terwijl hij in de schemering en ’s nachts actief wordt. Hij is een uitstekende klimmer en beweegt zich behendig door de boomkronen, waarbij hij grote sprongen kan maken van tak naar tak. Versnippering van het landschap vormt een belangrijke bedreiging, omdat dit het voor de soort moeilijker maakt om zich te verplaatsen en geschikte leefgebieden te bereiken.
Das
De das is de grootste marterachtige in Nederland en direct herkenbaar aan zijn kenmerkende zwart-witte kop. Dassen leven in familieverband, een zogenoemde clan en zijn uitgesproken nachtdieren die overdag verblijven in zelfgegraven ondergrondse burchten. Een burcht bestaat uit meerdere ingangen en vertakkende gangenstelsels die tientallen meters lang zijn. De functionele leefomgeving van de das omvat behalve de burcht ook het volledige foerageergebied en de verbindende routes daartussen. De grootte van een territorium varieert doorgaans van circa 30 tot meer dan 150 hectare, afhankelijk van de voedselbeschikbaarheid en de inrichting van het landschap. Juist die omvang maakt de das bijzonder relevant bij ruimtelijke ontwikkelingen, ook werkzaamheden op enige afstand van een burcht kunnen het leefgebied van een dassenclan raken.
Dassen hebben een voorkeur voor een gevarieerd landschap van bosjes, heggen en houtwallen afgewisseld met akkers en graslanden. De das is een opportunistische alleseter: regenwormen vormen een belangrijk deel van het dieet, aangevuld met knaagdieren, insecten, bosvruchten, noten en plaatselijk ook landbouwgewassen zoals maïs.
Wanneer is marteronderzoek verplicht?
Marteronderzoek is aan de orde wanneer een ecologische quickscan uitwijst dat de projectlocatie geschikt habitat biedt voor één of meer martersoorten. De quickscan vormt altijd de eerste stap: op basis van habitatkenmerken, landschapstype en bekende verspreidingsgegevens wordt beoordeeld of marterachtigen aanwezig kunnen zijn. Is dat het geval, dan volgt soortspecifiek vervolgonderzoek om de exacte betekenis van de locatie voor de aanwezige soorten in kaart te brengen.
> Bekijk onze dienst: Ecologische quickscan
Situaties waarbij marteronderzoek regelmatig relevant is:
- Sloop of renovatie van boerderijen, schuren en andere agrarische gebouwen, waar steenmarters verblijfplaatsen kunnen hebben. Dit kan leiden tot verstoring of vernietiging van nesten, waardoor onderzoek nodig is om schade aan de soort te voorkomen.
- Kap van houtopstanden, bosranden of bomenrijen, boommarters gebruiken bomen en bosranden als leefgebied en verbindingsroutes, waardoor kap hun bewegingsvrijheid kan beperken.
- Herinrichting of bebouwing van kleinschalig agrarisch cultuurlandschap, kleine marters, zoals de bunzing, hermelijn en wezel, kunnen in dit soort gebieden wonen en foerageren, en hebben bescherming nodig tegen verstoring.
- Werkzaamheden nabij houtwallen, vegetatiestructuren of materiaalhopen die als verbindingselement of verblijfplaats fungeren. Deze structuren vormen belangrijke corridors voor marters om veilig tussen leefgebieden te bewegen, waardoor onderzoek helpt om negatieve effecten te beperken.
Hoe verloopt marteronderzoek in de praktijk?
Marteronderzoek wordt altijd uitgevoerd volgens vastgestelde protocollen. Ook zijn er richtlijnen opgesteld, bij kleine marterachtigen is dat bijvoorbeeld het Kennisdocument Kleine Marterachtigen van BIJ12.
In de praktijk verloopt het marteronderzoek als volgt:
- Habitatbeoordeling, op basis van de aanwezige habitatkenmerken wordt beoordeeld welke soorten verwacht kunnen worden en of het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied.
- Veldonderzoek, een veldonderzoek wordt veelal uitgevoerd met apparatuur. Marterachtigen zijn schuw en worden zelden direct waargenomen. Onderzoek vindt daarom primair plaats met wildcamera’s, al dan niet in combinatie met de Mostela of Struikrover. Voor kleine marterachtigen geldt een onderzoeksperiode van acht aaneengesloten weken, tussen 1 juni en 15 november. Voor steenmarter en boommarter wordt doorgaans dezelfde periode aangehouden, maar is jaarrond ecologisch onderzoek ook mogelijk. Voor de das is de onderzoeksperiode jaarrond.
- Rapportage en vervolgadvies, de bevindingen worden vastgelegd in een rapport. Op basis daarvan wordt bepaald of een ecologisch werkprotocol volstaat, of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit bij de provincie moet worden aangevraagd.
> Bekijk onze dienst: Soortspecifiek onderzoek of lees meer over de seizoenskalender
Wat zijn de mogelijke uitkomsten van marteronderzoek?
Na het marteronderzoek zijn er globaal twee scenario’s:
Geen marterachtigen aangetroffen
De werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder aanvullende verplichtingen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen.
Marterachtigen aangetroffen
Afhankelijk van de soort, de functie van de locatie en de aard van de ingreep volgen vervolgstappen. Dit kan betekenen dat werkzaamheden buiten kwetsbare periodes worden gepland, dat alternatieve verblijfplaatsen worden gerealiseerd, of dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. In sommige gevallen is compensatie van leefgebied vereist.
💡 Eén waarneming van een marter kan al genoeg zijn om aan te nemen dat de locatie onderdeel is van een functioneel leefgebied. De aanwezigheid hoeft dus niet onomstotelijk bewezen te zijn voor vervolgstappen aan de orde zijn.
Conclusie: Marteronderzoek vraagt om een gerichte aanpak
Marterachtigen zijn schuw, honkvast en sterk gebonden aan specifieke elementen in hun leefgebied. Dat maakt gericht onderzoek onmisbaar voor een betrouwbare uitkomst. Een quickscan is de logische eerste stap om te beoordelen of vervolgonderzoek nodig is. Wie dat vroegtijdig oppakt, voorkomt vertraging in het bouwproces en voldoet aan de wettelijke verplichtingen onder de Omgevingswet.
Wil je weten of marteronderzoek voor jouw project relevant is? Neem contact met ons op voor een vrijblijvend advies, we denken graag met je mee.


