Welke ecologische mitigerende maatregelen zijn er?

Het herstraten van een woonwijk in Nederland

Leestijd: 7 minuten
Publicatiedatum: 26 mei 2026

Auteur: Sander Hartog

Er zijn beschermde soorten aangetroffen op je projectlocatie. Wat nu? In veel gevallen bevat een deel van het antwoord om mitigerende maatregelen te treffen. Maar wat zijn dat precies, welke opties zijn er en hoe bepaal je welke maatregel bij welke situatie past? In deze blog leggen we het uit, van het principe achter mitigatie tot de meest toegepaste maatregelen in de praktijk.

Wat zijn mitigerende maatregelen?

Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die erop gericht zijn de negatieve effecten van een ingreep op beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Ze zijn doorgaans nodig bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit onder de Omgevingswet. Als uitgangspunt kun je denken aan een soort ‘mitigatieladder’. Binnen deze ladder heeft voorkomen de voorkeur boven beperken, en beperken heeft de voorkeur boven compenseren. Mitigerende maatregelen zitten dan in de eerste twee treden, ze voorkomen of beperken schade. Pas als dat niet mogelijk is, komt compensatie aan de orde, dat is het realiseren van nieuw leefgebied of nieuwe verblijfplaatsen vaak op een andere locatie in de buurt.

In de praktijk worden mitigerende maatregelen vastgelegd in een ecologisch werkprotocol of mitigatieplan, dat onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag of de ecologische begeleiding van een project. De ecoloog stelt dit plan op, de aannemer en opdrachtgever zijn verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Hieronder belichten we veelgebruikte mitigerende maatregelen.

1. Werken buiten de kwetsbare periode

De meest fundamentele en meest toegepaste maatregel is werkzaamheden plannen buiten de periode waarin een soort het kwetsbaarst is. Voor broedvogels betekent dat doorgaans werken buiten het broedseizoen, dat globaal loopt van half maart tot half juli. Voor vleermuizen is de kraamperiode een van de meest kwetsbare momenten. Voor reptielen geldt de voortplantingsperiode als extra gevoelig, waarbij werkzaamheden bij voorkeur worden uitgevoerd in de late zomer of vroege herfst als de soorten nog actief zijn, maar jongen al zelfstandig zijn.

De maatregel vraagt om een vroege afstemming tussen de projectplanning en de ecologische kalender. In de praktijk betekent het dat een bouwplanning moet worden aangepast aan de leefwijze van de aanwezige soort, en niet andersom. Wie te laat begint met die afstemming, merkt dat het seizoen al is begonnen voordat de werkzaamheden kunnen starten en verliest zo soms maanden aan tijd. Het is dan ook een van de belangrijkste redenen waarom ecologisch advies zo vroeg mogelijk in het planproces moet worden ingeschakeld. Een ecoloog kan op basis van de aanwezige soorten advies geven over welke werkvensters mogelijk zijn en hoe de planning daarop kan worden afgestemd.

2. Faseren van werkzaamheden

Door werkzaamheden gefaseerd uit te voeren (zowel in tijd als in het plangebied) blijft er op elk moment voldoende functionerend leefgebied of voldoende verblijfplaatsen beschikbaar voor de aanwezige soorten. Dit is met name relevant bij grote projecten waarbij meerdere gebouwen of een groot terreinoppervlak in één keer worden aangepakt. Fasering voorkomt dat een hele populatie tegelijk wordt verstoord of dat alle verblijfplaatsen gelijktijdig verloren gaan.

Bij renovatieprojecten van woningcorporaties kan dit in de praktijk beteken dat per bouwblok wordt gewerkt, zodat soorten kunnen uitwijken naar een aangrenzend deel van het gebied. De fasering bepaalt daarmee in feite de volgorde en het tempo van de werkzaamheden, wat consequenties heeft voor de projectplanning en soms voor de contractafspraken met de aannemer. Een goede fasering is dan ook een onderdeel van de projectvoorbereiding.

Een man die met een kettingzaag een knotwilg snoeit
Fasering van werkzaamheden is ook veel voorkomend bij groenonderhoud zoals maaien, snoeien en boomkap.

3. Alternatieve verblijfplaatsen aanbieden

Wanneer verblijfplaatsen verloren gaan door sloop, renovatie of isolatie, moeten vervangende verblijfplaatsen doorgaans worden aangeboden voordat de ingreep plaatsvindt. De soort moet de kans krijgen om de nieuwe verblijfplaats te ontdekken en te accepteren, dat vraagt om een gewenningsperiode. Kasten die pas worden opgehangen op de dag dat de sloop begint, zijn dus vaak niet voldoende.

Concrete voorbeelden zijn vleermuiskasten geplaatst op gevels of bomen, gierzwaluwneststenen ingemetseld in gevels als permanente vervanging voor verloren nestplaatsen. Denk ook aan huismuskasten die worden geplaatst in clusters, omdat huismussen kolonievogels zijn die bij voorkeur dicht bij soortgenoten broeden. Voor soorten als de kerkuil of steenuil worden specifieke kasten ingezet die de functie van verloren holtes of schuurruimte overnemen. Per verloren verblijfplaats geldt doorgaans dat meerdere alternatieven moeten worden aangeboden. Voor de huismus minimaal twee per verloren nestplaats, voor een vleermuisverblijf doorgaans minimaal twee tot vier vervangende kasten per verloren verblijfplaats. De exacte eisen zijn vastgelegd in de kennisdocumenten, zoals van BIJ12. Of de alternatieve verblijfplaatsen daadwerkelijk worden benut, wordt na plaatsing gevolgd via monitoring, dat is in de meeste gevallen een verplicht onderdeel van de vergunningsvoorschriften.
> Lees meer over ecologische monitoring

4. Verblijfplaatsen ongeschikt maken

In sommige situaties is het effectiever om de bestaande verblijfplaats geleidelijk ongeschikt te maken, zodat de dieren op eigen initiatief vertrekken, dan om ze actief te vangen en te verplaatsen. Dit wordt ook wel het ‘natuurvrij maken’ van een locatie genoemd en is met name een gangbare aanpak bij vleermuizen. Bij vleermuizen gebeurt dit door exclusion flaps of weringsborstels te plaatsen bij de ingangen van verblijfplaatsen. Middels exclusion flaps kan de vleermuis eruit, maar niet meer terug naar binnen.

Dit mag uitsluitend worden toegepast buiten de kwetsbare periodes en gebeurt meestal onder een omgevingsvergunning of ontheffing. Een locatie mag natuurvrij worden verklaard als een ecoloog heeft vastgesteld dat de soort het gebouw daadwerkelijk heeft verlaten en er geen individuen meer aanwezig zijn.

Weringsborstels die worden geïnstalleerd onder dakpannen
Weringsborstels zijn flexibele borstels die worden gebruikt om toegang te blokkeren naar bijvoorbeeld dakpannen.

5. Wegvangen en verplaatsen

Wanneer soorten niet op eigen initiatief kunnen vertrekken of wanneer de ingreep niet buiten de actieve periode kan worden gepland, kan wegvangen en verplaatsen aan de orde zijn. Dit is een arbeidsintensieve maatregel die veelal wordt uitgevoerd door een deskundig ecoloog of onder zijn/haar toezicht, en waarvoor in sommige gevallen een aanvullende ontheffing nodig is.

Beschermde vissoorten zoals de grote modderkruiper worden bijvoorbeeld weggevangen via elektrovisserij voordat een watergang wordt gedempt of verlegd. Ze kunnen worden herplaatst in een vergelijkbare watergang in de directe omgeving. Het succes van wegvangen en verplaatsen is sterk afhankelijk van de kwaliteit van het gebied waar de soort weer wordt geplaatst. Een soort die wordt verplaatst naar een habitat dat niet aan haar eisen voldoet, heeft weinig overlevingskansen en wegplaatsen is daarmee geen relevante maatregel. De keuze van de ontvangende locatie moet dan ook altijd ecologisch worden onderbouwd.

6. Kwaliteitsverbetering van bestaand leefgebied

In plaats van nieuw leefgebied aanleggen, kan ook worden gekozen voor het verbeteren van de kwaliteit van bestaand leefgebied in de directe omgeving van het plangebied. Dat kan door doelgericht beheer, het toevoegen van elementen als houtwallen, bloemrijke bermen of schuilgelegenheid. Maar het kan ook door het verbeteren van de verbinding tussen leefgebieden via ecologische corridors. Deze maatregel is het meest effectief als er al geschikt habitat aanwezig is dat met relatief beperkte ingrepen in kwaliteit kan worden verbeterd.

Het is ook de maatregel die het beste aansluit bij de principes van natuurinclusief bouwen, dus niet alleen schade beperken, maar tegelijkertijd de omliggende natuur versterken. Voor reptielen kan dat bijvoorbeeld betekenen dat open zanderige plekken worden hersteld of dat schuilplaatsen worden aangelegd in de vorm van steenhopen of houtrillen. Een bijkomend voordeel is dat kwaliteitsverbetering van bestaand leefgebied doorgaans een sneller resultaat oplevert dan de aanleg van volledig nieuw habitat. Wel is langdurig beheer en onderhoud van het verbeterde leefgebied nodig.

7. Nieuw leefgebied aanleggen

Als bestaand leefgebied verloren gaat en kwaliteitsverbetering van een aangrenzend habitat niet volstaat, kan de aanleg van nieuw leefgebied de volgende stap zijn. In de strikte zin van het woord wordt dit beschouwd als een compenserende maatregel, maar in de praktijk wordt het vaak als onderdeel van het mitigatieplan opgenomen. Concrete voorbeelden zijn het graven van poelen voor amfibieën, het aanleggen van broeihopen voor ringslangen, het inrichten van zanderige oeverzones voor reptielen of het realiseren van nieuwe sloten als vervanging voor gedempte watergangen.

Een kritisch aandachtspunt is dat nieuw leefgebied voldoende van kwaliteit moet zijn om de bestaande populatie te kunnen opvangen, en dat het bij voorkeur aansluit bij de structuur en kenmerken van het omliggende landschap. Nieuw leefgebied vraagt net als een bestaand leefgebied om een beheer- en onderhoudsplan voor de lange termijn. Monitoring na aanleg is dan ook nodig om vast te stellen of de soort(en) het nieuwe habitat benut en of bijsturing nodig is.

Een broeihoop voor ringslangen
Een broeihoop is een soort ‘mesthoop’ waar ringslangen gemakkelijk in kunnen om eieren af te zetten.

Wat maakt een maatregel effectief?

Niet elke maatregel werkt altijd even goed. Onderzoek van Wageningen University & Research laat zien dat voor de meeste mitigerende maatregelen geldt dat ze in de praktijk kunnen werken, maar dat de effectiviteit sterk afhankelijk is van de manier van uitvoering, het moment van uitvoering en de specifieke situatie op de locatie. Slechts voor een beperkt aantal maatregelen, zoals het aanleggen van nieuw leefgebied voor de rugstreeppad en kamsalamander, is de effectiviteit daadwerkelijk bewezen via monitoring.

Dit onderstreept het belang van twee dingen:

  1. Een maatregel moet aansluiten bij de ecologie van de soort en de kenmerken van de locatie

    Een neststeentje dat op de verkeerde oriëntatie wordt geplaatst, een vleermuiskast die te laag hangt of een poel die op te grote afstand van bestaand leefgebied wordt aangelegd. In al deze gevallen neemt de kans op succes sterk af. De effectiviteit van mitigatie hangt dus niet alleen af van welke maatregel wordt gekozen, maar vooral van hoe en waar deze wordt uitgevoerd.
  2. Monitoring is noodzakelijk om vast te stellen of een maatregel daadwerkelijk werkt
    Zonder monitoring blijft onduidelijk of soorten de aangebrachte voorzieningen gebruiken en of de ecologische functie behouden blijft. Monitoring maakt zichtbaar of bijsturing nodig is en levert tegelijkertijd waardevolle kennis op voor toekomstige projecten en vergunningstrajecten.

 

💡 Mitigerende maatregelen zijn maatwerk. Er bestaat geen universele lijst van maatregelen die voor elk project geschikt zijn. De juiste maatregel hangt af van de soort, de aard van de ingreep, de timing en de lokale ecologische context.

Het ecologisch werkprotocol als nuttig document

Mitigerende maatregelen worden vaak vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Dit document beschrijft concreet welke maatregelen worden getroffen, door wie, op welk moment en hoe er gehandeld moet worden als tijdens de werkzaamheden onverwacht beschermde soorten worden aangetroffen. Het protocol is veelal aanwezig op de bouwplaats en de inhoud ervan moet bekend zijn bij de betrokken medewerkers.

Het werkprotocol is niet alleen een intern document, het is ook het bewijs richting het bevoegd gezag dat de vergunningsvoorwaarden worden nageleefd. Wie zonder werkprotocol werkt of afwijkt van de afgesproken maatregelen, kan aansprakelijk worden gesteld voor eventuele overtredingen.
> Lees meer over een ecologisch werkprotocol (EWP) of bekijk onze dienst: Ecologische begeleiding

Conclusie: Ecologische mitigerende maatregelen zijn maatwerk

Mitigerende maatregelen zijn vaak van toepassing bij projecten waarbij beschermde soorten aan de orde zijn. Ze kunnen schade voorkomen, maken werkzaamheden mogelijk en zijn in veel gevallen een voorwaarde voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Maar ze werken alleen als ze op het juiste moment, op de juiste manier en voor de juiste soort worden ingezet.

Wil je weten welke mitigerende maatregelen voor jouw project aan de orde zijn? Neem contact met ons op voor een vrijblijvend advies, we denken graag met je mee.