Amfibieënonderzoek in Nederland: verplichtingen en verloop in de praktijk

Heikikker gespot tijdens Amfibieënonderzoek door Eceau

Leestijd: 7 minuten
Publicatiedatum: 1 april 2026

Auteur: Sander Hartog

Wat op het eerste gezicht een lege locatie lijkt, kan een onmisbaar leefgebied zijn voor beschermde amfibieën. Kikkers, padden en salamanders zijn kwetsbaarder dan ze lijken en zijn in Nederland stevig wettelijk beschermd. In deze blog leggen we uit waarom amfibieën beschermd zijn, welke soorten bij bouwprojecten het meest relevant zijn en wanneer amfibieënonderzoek verplicht is.

Waarom zijn amfibieën beschermd?

In Europa ondervindt bijna twee derde van de amfibiesoorten bedreigingen door klimaatverandering, landbouwgif, ziekte en habitatverlies. Nederland is daarin geen uitzondering. Wereldwijd is er sprake van een achteruitgang van amfibieën, waarbij op regionaal niveau het verdwijnen van voortplantingswateren en veranderingen in het leefmilieu een belangrijke rol spelen. Poelen vallen droog door grondwaterdalingen, de overgebleven wateren komen steeds verder van elkaar te liggen en door de uitbreiding van bijvoorbeeld snelwegen raken de resterende populaties steeds verder geïsoleerd.

De wettelijke bescherming van amfibieën is vastgelegd in de Omgevingswet en het onderliggende Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het is verboden om beschermde amfibieënsoorten opzettelijk te doden of te vangen, of hun vaste voortplantings- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Voor soorten die zijn opgenomen in de Europese Habitatrichtlijn zoals de kamsalamander, rugstreeppad, heikikker en poelkikker gelden de ‘zwaarste’ beschermingsregels.

Welke beschermde amfibiesoorten zijn relevant bij bouwprojecten?

De soorten amfibieën bestaan uit salamanders, padden en kikkers. Algemenere soorten, zoals de bastaardkikker en de kleine watersalamander, zijn op provinciaal niveau vrijgesteld van bescherming. De meeste onderzoeken naar amfibieën worden uitgevoerd in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In de praktijk zijn er een aantal soorten die bij bouwprojecten regelmatig aanleiding geven tot een vervolgonderzoek, een viertal daarvan behandelen we hieronder.

Rugstreeppad
De rugstreeppad is bij uitstek een soort van dynamische, open gebieden die in een korte tijd een nieuwe habitat kan bezetten. Rugstreeppadden zijn in staat grote afstanden af te leggen (tot wel vijf kilometer) en koloniseren daardoor regelmatig braakliggende bouwterreinen, opgespoten grond en tijdelijke waterplassen. Juist die eigenschappen maken de rugstreeppad een veelvoorkomende ‘verrassing’ op bouwlocaties. Het voortplantingswater bestaat uit ondiep, snel opwarmend water dat in de zomer veelal droog valt.

Naast het voortplantingswater maakt de rugstreeppad ook gebruik van landhabitat voor zomer- en winterverblijven, die zich bevinden in muizenholen, onder boomstammen, stenen of andere materiaalhopen, maar ook in menselijke structuren zoals kelders of kassen. Rugstreeppadonderzoek is opgedeeld in twee categorieën: onderzoek naar het voortplantingsbiotoop, dit bestaat uit drie bezoeken in het voorjaar en de zomer. Het andere onderzoek is naar het zomerbiotoop, dit bestaat uit vier bezoeken van het voorjaar tot de nazomer.

Een rugstreeppad in Nederland
De rugstreeppad staat bekend om de extreem luidruchtige paringsroep, die soms 2 kilometer verder hoorbaar is.

Heikikker
De heikikker is een kritische soort als het gaat om de keuze van zijn leefgebied. Hij komt voor in vochtige, schrale landschappen zoals graslanden, heidegebieden en hoogveen, en soms in vochtige bosjes. Het voortplantingswater bestaat meestal uit ondiepe, voedselarme, zonnige en geïsoleerde vennen. Lokaal plant de soort zich ook voort in sloten, met name in kleigebieden. In intensief gebruikt agrarisch terrein en nabij bebouwing zijn heikikkers schaars.

Het landhabitat bestaat uit dichte, veelal vochtige vegetatie, zoals vochtige heidevegetaties, graslanden van pijpenstrootje, en in agrarisch gebied, duikt de heikikker op in slootranden en houtwallen. Heikikkeronderzoek bestaat uit twee bezoeken naar het voortplantingswater in het vroege voorjaar en twee bezoeken naar het zomerbiotoop in de periode van lente tot nazomer.

Een heikikker in de sloot gespot tijdens amfibieën onderzoek
In de paartijd worden heikikker mannetjes voor enkele dagen felblauw om vrouwtjes te lokken.

Kamsalamander
De kamsalamander is de meest streng beschermde amfibieënsoort in Nederland (hij staat op zowel bijlage II als bijlage IV van de Habitatrichtlijn). Dit betekent dat voor activiteiten die zijn leefgebied aantasten in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is. Als voortplantingswater gebruiken kamsalamanders bij voorkeur relatief grote stilstaande wateren die vrij zijn van grotere vis, deels beschaduwd en relatief voedselrijk zijn, met een goed ontwikkelde waterplantenvegetatie. Voorbeelden zijn grotere vennen en poelen, leemputten, kleiputten en kolken.

Op het land geeft de kamsalamander de voorkeur aan kleinschalig, structuurrijk terrein met gevarieerd struweel, bossen of houtwallen. Kamsalamanders leven vrijwel hun hele leven dichtbij het voortplantingswater. Onderzoek naar het voortplantingswater kan op verschillende manieren plaatsvinden, afhankelijk van de methode zijn twee tot drie bezoeken nodig in het voorjaar en de vroege zomer.

Een kamsalamander onder water in een poel
 Kamsalamanders zijn schemer- en nachtactief. Overdag schuilen ze onder takken, stenen of in de strooisellaag.

Poelkikker
De poelkikker heeft een sterke voorkeur voor schone, zonnige wateren met een goed ontwikkelde vegetatie. Vennen en poelen in bos- of heidegebieden, wateren in hoogveengebieden en stilstaande wateren in uiterwaarden vormen het voornaamste leefgebied. Poelkikkers kunnen relatief snel een nieuw habitat bezetten, maar zijn als ze eenmaal zijn gevestigd ook jaren aan hetzelfde water gebonden.

Buiten de voortplantingstijd zijn poelkikkers minder strikt aan water gebonden en kunnen ze op geruime afstand van het water worden aangetroffen in graslanden, heidegebieden en bossen. Ze overwinteren voornamelijk op het land, ingegraven in muizenholen of diep in de vegetatie. Onderzoek naar het voortplantingsgebied bestaat afhankelijk van de gebruikte methode uit twee of drie bezoeken in het voorjaar en de zomer.

De kleine groene poelkikker in een sloot, gefotografeerd door ecologen van Eceau
 Met een maximale lengte van 8 centimeter is de poelkikker de kleinste kikker van de groene kikkers in Nederland.

Wanneer is amfibieënonderzoek verplicht?

Amfibieënonderzoek is aan de orde wanneer een ecologische quickscan aangeeft dat een projectlocatie geschikt is als habitat voor een of meer beschermde amfibieënsoorten. De quickscan is altijd de eerste stap, op basis van habitatkenmerken, waterpartijen, landschapstype en bekende verspreidingsgegevens wordt beoordeeld of amfibieën verwacht kunnen worden. Is dat het geval, dan volgt soortspecifiek vervolgonderzoek.
> Bekijk onze dienst: Ecologische quickscan

Situaties waarbij amfibieënonderzoek regelmatig relevant is:

  • Het dempen van sloten, poelen of andere waterpartijen die als voortplantingswater kunnen dienen, omdat deze essentieel zijn voor de voortplanting en ontwikkeling van veel amfibieënsoorten.
  • Herinrichting of bebouwing van braakliggende terreinen, met name op zandige of dynamische bodems waar de rugstreeppad zich snel kan vestigen en tijdelijk geschikte leefgebieden benut.
  • Werkzaamheden nabij vennen, beekdalen of natte heidegebieden, waar soorten zoals de kamsalamander of heikikker afhankelijk zijn van specifieke gunstige omstandigheden.
  • Sloop of verwijdering van materiaalhopen, vegetatie of andere structuren, die kunnen fungeren als landhabitat of overwinteringsplek, waardoor amfibieën buiten het voortplantingsseizoen worden verstoord of gedood.


> Lees meer over verplichtingen bij beschermde soorten op je bouwlocatie of soortenbescherming in Nederland

Hoe verloopt amfibieënonderzoek in de praktijk?

Onderzoek naar amfibieën wordt uitgevoerd volgens vastgestelde protocollen en veldbezoeken op de juiste momenten in het jaar. De onderzoeksmethoden zijn afhankelijk van de te verwachten soorten en de kenmerken van het onderzoeksgebied, maar zijn meestal een combinatie van:

  • Luisteren naar het zogenoemde ‘kooractiviteit’ van padden en kikkers.
  • Bemonsteren van waterpartijen met een schepnet.
  • Zoeken naar adulten, eitjes of larven.
  • Bemonstering voor eDNA, waarbij watermonsters worden geanalyseerd op sporen van genetisch materiaal van de te onderzoeken soort.

 

In de praktijk verloopt een onderzoekstraject als volgt:

  1. Ecologische quickscan, de eerste stap is een beoordeling van de locatie op geschiktheid voor beschermde amfibieënsoorten. Dit wordt in kaart gebracht op basis van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Hierbij wordt gekeken naar habitatkenmerken en beschikbare verspreidingsgegevens.
  2. Soortspecifiek vervolgonderzoek, als uit de quickscan blijkt dat er vervolgonderzoek nodig is, worden meerdere veldbezoeken op de juiste momenten in het jaar, per soort uitgevoerd volgens de geldende onderzoeksprotocollen.

    > Bekijk onze dienst: Soortspecifiek onderzoek
  3. Rapportage en advies, de bevindingen worden vastgelegd in een rapport. Op basis van de bevindingen wordt bepaald of werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd met een ecologisch werkprotocol, of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit bij de provincie noodzakelijk is.

 

Een omgevingsvergunning is nodig als de geplande activiteiten de regels van de Omgevingswet overtreden en de voorgestelde maatregelen onvoldoende bescherming bieden. De vergunning vraag je aan via het Omgevingsloket bij de provincie.

Wat zijn de mogelijke uitkomsten bij onderzoek naar amfibieën?

Na het amfibieënonderzoek zijn er globaal twee scenario’s:
Geen beschermde amfibieën aangetroffen
De geplande werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder aanvullende verplichtingen, de algemene zorgplicht is wel altijd van kracht.
> Lees meer over de algemene zorgplicht

Beschermde amfibieën aangetroffen
Afhankelijk van de soort, de functie van de locatie en de aard van de ingreep volgen vervolgstappen. Dit kan inhouden dat werkzaamheden buiten kwetsbare periodes worden gepland, dat vervangende voortplantingswateren of landhabitat worden gerealiseerd, of dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.

Conclusie: Amfibieënonderzoek vraagt om timing en vakkennis

Het succes van een amfibieonderzoek staat of valt bij het uitvoeren van de juiste methoden op het juiste moment in het jaar. Elke soort kent zijn eigen actieve periode en zijn eigen onderzoeksprotocol. Wie dat vroegtijdig in het planningsproces oppakt, voorkomt vertraging en voldoet aan de wettelijke verplichtingen onder de Omgevingswet.

Een ecologische quickscan is altijd de eerste stap om te bepalen of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Wil je weten of bij jouw project of op jouw locatie amfibieënonderzoek nodig is? Neem contact met ons op voor een vrijblijvend advies, we denken graag met je mee.