Reptielenonderzoek in Nederland: waarom is het nodig en hoe verloopt het?

Een levendbarende hagedis op mos bij bladeren

Leestijd: 8 minuten
Publicatiedatum: 9 april 2026
Bijgewerkt op: 18 augustus 2026

Auteur: Sander Hartog

Reptielen zijn misschien niet de eerste diergroep waar je aan denkt bij het voorbereiden van een ruimtelijk project. Toch kunnen ze een flinke rol spelen in een vergunningstraject. Wordt er gebouwd, gesloopt of ingericht op locaties met droge, structuurrijke bodems of waterrijke gebieden? Dan kan reptielenonderzoek verplicht zijn. In deze blog leggen we uit welke reptielen beschermd zijn, wanneer onderzoek noodzakelijk is en hoe zo’n onderzoek in de praktijk verloopt.

Waarom zijn reptielen beschermd?

Het korte antwoord, omdat het slecht met ze gaat. De leefgebieden van slangen en hagedissen zijn de afgelopen decennia flink afgenomen door opschaling in de landbouw, versnippering van het landschap en de achteruitgang van heide- en duingebieden. Sommige soorten zijn inmiddels zeldzaam geworden en hebben het zwaar om te overleven in een steeds intensiever gebruikt landschap.

Alle inheemse reptielensoorten in Nederland zijn wettelijk beschermd onder de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Per 1 januari 2024 is de vroegere Wet natuurbescherming volledig opgegaan in de Omgevingswet. Concreet betekent dit dat het verboden is om beschermde reptielen opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, en om hun vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen.

Als deze regels worden overtreden, kan dat leiden tot maatregelen zoals een last onder dwangsom of bij herhaaldelijke overtreding een boete. Het is dus belangrijk om bij ruimtelijke ontwikkelingen goed rekening te houden met beschermde soorten zoals reptielen.

Welke beschermde reptielensoorten komen voor in Nederland?

In Nederland komen zeven inheemse reptielensoorten voor, verdeeld over twee groepen: hagedissen en slangen. Binnen die groepen zijn er nationaal beschermde soorten onder de Omgevingswet en Europees beschermde soorten. Ze delen een afhankelijkheid van specifieke microklimaten, maar verschillen sterk in ecologie, habitatvoorkeur en beschermingsstatus. We behandelen de belangrijkste soorten.

Adder
De adder is voor velen bekend, het is de enige giftige slang in Nederland en direct herkenbaar aan het kenmerkende zigzagpatroon op de rug. De adder heeft een voorkeur voor droge, structuurrijke terreinen zoals heideterreinen, bosranden en kapvlakten op de hogere zandgronden. De soort heeft zonnige plekken nodig om op te warmen en voldoende dekking in de vorm van dichte heidestruiken, ruige grassen of houtopstapeling. Overwintering vindt plaats in vorstvrije schuilplaatsen, zoals holten onder boomwortels, in muizengangen of tussen stapels dood hout.

Adders zijn solitair en hebben een relatief klein leefgebied, maar zijn wel sterk honkvast, ze keren jaar na jaar terug naar dezelfde overwinterplaatsen en voortplantingsgebieden. Het dieet bestaat voornamelijk uit kleine zoogdieren zoals veldmuizen, aangevuld met hagedissen en soms amfibieën. De adder staat op de Rode Lijst en heeft de afgelopen decennia een sterke achteruitgang doorgemaakt door habitatverlies, versnippering en een afnemende mogelijkheid om prooien te vangen op veel locaties.

Ringslang
De ringslang is de grootste slang van Nederland en kan tot ruim een meter lang worden. Meer dan de meeste andere Nederlandse reptielen is de ringslang sterk gebonden aan water. Ze gebruikt een variatie aan waterrijke biotopen, maar geeft de voorkeur aan kleinschalige, gevarieerde landschappen. Uiterwaarden, landgoederen, beken en laagveengebieden zijn voorbeelden van geschikte biotopen. Soms worden ringslangen ook in bebouwd gebied aangetroffen.

Voor de ringslang moet de volledige levenscyclus op of nabij de projectlocatie kunnen plaatsvinden. Hij jaagt rond water op amfibieën (of anders op vissen, hagedissen en kleine knaagdieren), heeft zonnige opwarmplekken en schuilmogelijkheden nodig, en legt eieren op warme broeiplekken zoals blad- of mesthopen. Overwintering gebeurt op droge, hogere plekken, zoals puinhopen, onder boomstronken of in door mensen gemaakte structuren. Samen vormen het voortplantings-, overwinterings- en zomerhabitat de leefomgeving van de ringslang.

Een ringslang die ineen gekruld op een boomstam tussen het mos zit
Ondanks de kleine giftanden is de ringslang niet giftig voor mensen.

Hazelworm
De hazelworm lijkt op het eerste gezicht op een slang, maar is in werkelijkheid een pootloze hagedis. De hazelworm heeft bij voorkeur vochtige gebieden met een dichte vegetatiestructuur. Bosgebieden en heideterreinen zijn bekende leefgebieden, maar de hazelworm komt ook voor in struwelen, houtwallen en kleinschalig agrarisch cultuurland. Soms dringt de soort door tot in de bebouwde kom. In deze biotopen maakt de hazelworm veel gebruik van dichte vegetatie, dood hout en holen, waardoor hij een verborgen levenswijze heeft. Soms worden kleinschalige open plekken opgezocht om te zonnen. Overwintering gebeurt veelal in vorstvrije, beschutte holten, die soms door de hazelworm zelf worden gegraven.

Anders dan bij veel andere reptielen vallen het voortplantings-, winter- en zomerbiotoop van de hazelworm samen. De functionele leefomgeving moet dan ook aan alle habitatkenmerken tegelijk voldoen. De hazelworm heeft daardoor baat bij variatie en kleinschaligheid, zowel in meer natuurlijke leefgebieden als in cultuurlandschappen.

Levendbarende hagedis
De levendbarende hagedis is de kleinste hagedis van Nederland en was ooit algemeen in een breed scala aan habitats. De soort dankt haar naam aan het feit dat ze geen eieren legt, maar levende jongen ter wereld brengt, wat een voordeel is in koelere en vochtigere omstandigheden. De levendbarende hagedis komt voor op heideterreinen, in veengebieden, langs bosranden en in ruige bermen, en heeft zonnige plekken nodig om op te warmen.

Ze is minder kieskeurig in haar habitatkeuze dan bijvoorbeeld de zandhagedis, maar is wel afhankelijk van een voldoende gevarieerde structuur in de vegetatie. Zo is een combinatie van open plekken en dichte dekking essentieel. Het dieet bestaat voornamelijk uit kleine ongewervelden zoals insecten, spinnen en wormen. De soort neemt de afgelopen jaren zorgwekkend af en staat inmiddels als kwetsbaar op de Rode Lijst. Versnippering van het leefgebied en de oprukkende verbossing van heideterreinen zijn de voornaamste oorzaken van deze achteruitgang.

Een levendbare hagedis op rots
Direct na de geboorte zijn de jongen van de levendbarende hagedis volledig zelfstandig en op zichzelf aangewezen.

Zandhagedis
De zandhagedis is een robuuste hagedis van maximaal ongeveer 21 centimeter lang. Mannetjes zijn in het voorjaar en de zomer goed te herkennen aan de opvallend groene kleur op hun flanken. De soort is te onderscheiden van de levendbarende hagedis aan de smallere, duidelijker gekielde schubben midden op de rug. Voor de eiafzet zoeken vrouwtjes zonnige, onbegroeide zandige plekken. De eieren worden in de bodem afgezet en ontwikkelen zich door de warmte van de zon. Het dieet van de zandhagedis bestaat vrijwel uitsluitend uit geleedpotigen, zoals insecten en spinnen.

In Nederland is de zandhagedis sterk gebonden aan duin- en heidegebieden op de hogere zandgronden. In het binnenland en in de kalkarme duinen komt hij vooral voor in droge struikheideterreinen. In de kalkrijke kustduinen wordt de soort vooral aangetroffen in open struweelduin. De kustduinen en de Veluwe vormen samen de twee belangrijkste kerngebieden. Op Schiermonnikoog is de soort inmiddels uitgestorven. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst als kwetsbaar en is Europees beschermd onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

Muurhagedis
De muurhagedis is een slanke hagedis die maximaal ongeveer 19 centimeter lang wordt. De soort heeft een smalle, platte kop, een relatief lange staart en opvallend krachtige poten met lange tenen. De soort legt ook eieren die door de warmte van de zon tot ontwikkeling komen. Een legsel bestaat uit maximaal vijf tot zes eieren.

In Nederland komt de muurhagedis van nature uitsluitend voor in Maastricht. De soort is daar vooral gebonden aan warme, stenige plekken, zoals oude vestingwerken, muren en spoortrajecten. Door de aanleg en het gebruik van dergelijke stenige structuren heeft de soort op sommige plekken extra leefgebied gekregen. De Maastrichtse populatie heeft na een sterke achteruitgang in de twintigste eeuw sinds de jaren 1990 een duidelijke groei laten zien. De soort heeft zich vanuit de oorspronkelijke vestingwerken uitgebreid naar onder andere spoortrajecten, bedrijfsterreinen en delen van de Maasoevers. De populatie is daarmee groter geworden dan enkele honderden dieren, al blijft de Nederlandse verspreiding zeer beperkt tot Maastricht. De muurhagedis is in Nederland dus een zeer zeldzame soort en is Europees beschermd.

Overzicht: reptielenonderzoek per soort vergeleken

In de tabel hieronder zie je per soort in welke leefgebieden deze voorkomt en welke beschermingsstatus van toepassing is. Zo krijg je snel een beeld van de belangrijkste kenmerken en waar je bij een ecologisch onderzoek rekening mee moet houden.

Soort

Habitat

Beschermingsniveau

Adder

Droge heide, bosranden, kapvlakten

Nationaal beschermd

Ringslang

Waterrijke gebieden, uiterwaarden

Nationaal beschermd

Hazelworm

Vochtige, dichte vegetatie, bos en heide

Nationaal beschermd

Levendbarende hagedis

Heide, veen, bosranden, ruige bermen

Nationaal beschermd

Zandhagedis

Droge duin- en heidegebieden op zandgronden

Habitatrichtlijn (bijlage IV)
Muurhagedis

Stenige structuren, muren

Habitatrichtlijn (bijlage IV)

Wanneer is reptielenonderzoek verplicht?

Reptielenonderzoek is aan de orde wanneer een ecologische quickscan uitwijst dat de projectlocatie geschikt habitat biedt voor één of meer reptielensoorten. De quickscan vormt altijd de eerste stap, op basis van habitatkenmerken, landschapstype en bekende verspreidingsgegevens wordt beoordeeld of reptielen aanwezig kunnen zijn. Is dat het geval, dan volgt soortspecifiek vervolgonderzoek om het gebied en de soorten grondig in kaart te brengen.
> Bekijk onze dienst: Ecologische quickscan of soortspecifiek onderzoek

Situaties waarbij reptielenonderzoek regelmatig relevant is:

  • Herinrichting of bebouwing van heide- en duinterreinen, dit zijn de primaire leefgebieden van de meeste reptielensoorten in Nederland. Werkzaamheden kunnen leiden tot directe verstoring of vernietiging van voortplantings- en rustplaatsen.
  • Werkzaamheden aan bermen en wegbermen op de hogere zandgronden, die fungeren als verbindingszones en leefgebied voor reptielen. Beheer of inrichting van deze zones kan populaties van elkaar isoleren.
  • Kap van bosranden, struwelen en houtwallen, die bijvoorbeeld als schuilplaats, foerageergebied of verbindingselement dienen voor hagedissen en slangen.
  • Werkzaamheden nabij waterrijke gebieden, oevers en laagveengebieden, waar ringslangen voorkomen en voortplantingsplekken zoals composthopen of broedhopen aanwezig kunnen zijn.
  • Sloop of renovatie van gebouwen of muurfragmenten, veelal op locaties in of nabij het verspreidingsgebied van de muurhagedis, met name in Zuid-Limburg.

Hoe verloopt reptielenonderzoek in de praktijk?

Reptielenonderzoek wordt altijd uitgevoerd volgens vastgestelde protocollen. Hiervoor gelden soortinventarisatieprotocollen en richtlijnen van RAVON (Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland).

In de praktijk verloopt het reptielenonderzoek als volgt:

  1. Habitatbeoordeling, op basis van de aanwezige habitatkenmerken wordt beoordeeld welke soorten verwacht kunnen worden en of het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied.
  2. Veldonderzoek, de meest gebruikte methode is het plaatsen van zogenoemde herpetoplaten. Herpetoplaten zijn platen van rubber of bitumen die worden neergelegd op geschikte opwarmlocaties in het plangebied. Reptielen maken gebruik van de warmte onder de platen en worden bij periodieke controles aangetroffen. Afhankelijk van de soort en het terrein wordt ook actief gezocht langs geschikte structuren. Het aantal benodigde bezoeken verschilt per soort.
  3. Rapportage en vervolgadvies, de bevindingen worden vastgelegd in een rapport. Op basis daarvan wordt bepaald of aanvullende maatregelen nodig zijn, of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit bij de provincie moet worden aangevraagd.


> Lees meer over wanneer je een omgevingsvergunning Flora- en Fauna-activiteiten nodig hebt

Welke reptielen leven er op jouw projectlocatie?

Soorten zoals de zandhagedis en de hazelworm zijn niet altijd makkelijk te vinden. Met soortspecifiek onderzoek kijken onze ecologen waar reptielen voorkomen en welke delen van het gebied belangrijk voor hen zijn. Je krijgt vervolgens helder inzicht in de situatie en weet welke stappen nodig zijn om je project verantwoord uit te voeren.

Wat zijn de mogelijke uitkomsten van reptielenonderzoek?

Na het reptielenonderzoek zijn er globaal twee scenario’s:
Geen reptielen aangetroffen
De werkzaamheden kunnen plaatsvinden zonder aanvullende verplichtingen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen.
> Lees meer over de zorgplicht in Nederland

Reptielen aangetroffen
Afhankelijk van de soort, de functie van de locatie en de aard van de ingreep volgen vervolgstappen. Dit kan betekenen dat werkzaamheden buiten kwetsbare periodes worden gepland, dat reptielen worden weggevangen en naar een geschikt alternatief leefgebied verplaatst, of dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Bij Europees beschermde soorten zoals de zandhagedis, gladde slang of muurhagedis is een vergunning in de meeste gevallen verplicht. In sommige gevallen is ook compensatie van leefgebied vereist.

Veelgestelde vragen over reptielenonderzoek

Dit hangt af van de actieve periode van reptielen, die doorgaans loopt van het vroege voorjaar tot de vroege herfst. Reptielen zijn koudbloedig en dus vooral actief en waarneembaar bij voldoende omgevingstemperatuur.

De kosten hangen af van het aantal verwachte soorten, de omvang van het terrein en het aantal benodigde veldbezoeken. Omdat er bij reptielenonderzoek vaak meerdere bezoeken over het seizoen nodig zijn, liggen de kosten doorgaans hoger dan bij een reguliere quickscan.

Nee, het onderzoek is gebonden aan het actieve seizoen van reptielen en het aantal benodigde veldbezoeken kan niet worden versneld zonder de betrouwbaarheid van de resultaten aan te tasten. Wel is het slim om zo vroeg mogelijk in het seizoen te starten, zodat je niet onnodig tijd verliest.

Afhankelijk van de soort en de situatie kunnen reptielen worden weggevangen en verplaatst naar een alternatief leefgebied, vaak onder begeleiding van een ecoloog. Dit gebeurt altijd volgens een vooraf vastgesteld werkprotocol.

Herpetoplaten zijn platen van rubber of bitumen die op geschikte opwarmplekken worden gelegd om reptielen naar deze locaties te lokken. Ze blijven doorgaans het hele onderzoeksseizoen liggen, waarbij op vaste momenten wordt gecontroleerd of er reptielen onder schuilen.

Conclusie: Reptielenonderzoek vraagt om een gerichte aanpak

Reptielen zijn sterk gebonden aan specifieke habitatkenmerken en zijn seizoensgebonden actief. Dat maakt gericht en tijdig onderzoek onmisbaar voor een betrouwbare uitkomst. Een quickscan is de logische eerste stap om te beoordelen of vervolgonderzoek nodig is. Wie dat vroegtijdig oppakt, voorkomt vertraging in het bouwproces en voldoet aan de wettelijke verplichtingen onder de Omgevingswet.

Wil je weten of reptielenonderzoek voor jouw project relevant is? Neem contact met ons op voor een vrijblijvend advies, we denken graag met je mee.