Soortenbescherming onder de Omgevingswet uitgelegd

Een foto van de winter in Nederland

Leestijd: 7 minuten
Publicatiedatum: 19 november 2025
Bijgewerkt op: 26 juni 2026

Auteur: Sander Hartog

De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de centrale wet voor onze leefomgeving, ook de soortenbescherming valt hier nu onder. Hoewel de ‘juridische structuur’ is veranderd, zijn de inhoudelijke doelen en verboden grotendeels hetzelfde gebleven. De bescherming van dieren, planten en hun leefgebieden blijft altijd het uitgangspunt bij (ver)bouw-gerelateerde activiteiten.

Wat valt onder soortenbescherming in de Omgevingswet?

De Omgevingswet beschermt drie hoofdgroepen soorten:

  1. Inheemse vogels, dit zijn alle in het wild levende vogelsoorten die in Nederland voorkomen. Deze vallen onder de Europese Vogelrichtlijn.
  2. Soorten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen, dit zijn zoogdieren zoals vleermuizen, amfibieën zoals de boomkikker, reptielen zoals de zandhagedis, vissen zoals de beekprik en insecten zoals het pimpernelblauwtje. Ook soorten die beschermd zijn via internationale verdragen (zoals het Bern of Bonn verdrag) vallen hieronder.
  3. Nationaal beschermde soorten (‘andere soorten’), dit zijn soorten die niet onder de Europese Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn vallen, maar die Nederland nationaal heeft aangewezen als ‘beschermingswaardig’. Voorbeelden zijn soorten die op de Rode Lijst staan of kwetsbaar zijn, zoals de das, de egel en bepaalde plantensoorten.


Voor alle beschermde soorten gelden verbodsbepalingen die onder meer het verstoren, doden, of vernielen van verblijfplaatsen verbieden. Bij activiteiten zoals sloop, renovatie, isolatie, grondwerk of gebiedsontwikkeling is het daarom noodzakelijk om vooraf te beoordelen of deze beschermde soorten aanwezig kunnen zijn.

De beschermde egel die loopt tussen de herfstbladeren
De egel is een van de nationaal beschermde soorten in Nederland

De zorgplicht is altijd van kracht

De Omgevingswet legt een zorgplicht op die altijd geldt. Dit betekent dat iedereen die activiteiten uitvoert waarbij soorten of leefgebieden kunnen worden aangetast, verplicht is om rekening te houden met deze aanwezige soorten/gebieden, en om schade actief helpt te voorkomen of te beperken.

De zorgplicht gaat verder dan slechts voorzichtig werkzaamheden uitvoeren, het vereist namelijk onderzoek en passende maatregelen. Zo moet bijvoorbeeld bekeken worden of er broedende vogels aanwezig zijn, of vleermuizen in een gebouw verblijven, of dat er beschermde planten op een bouwlocatie groeien. Waar nodig worden maatregelen genomen om verstoring of verlies van verblijfplaatsen te voorkomen.

Een praktische manier om aan deze zorgplicht te voldoen, is door ecologisch begeleiding en/of een plan waarin wordt vastgelegd hoe werkzaamheden veilig kunnen plaatsvinden zonder de soorten tot last te zijn. Zo blijft de zorgplicht ook tijdens de uitvoering van projecten gewaarborgd.
> Lees meer over de zorgplicht of praktische maatregelen om schade aan flora en fauna te voorkomen

Soortenbescherming in het bredere vergunningenkader

Soortenbescherming staat niet op zichzelf binnen de Omgevingswet. Het hangt nauw samen met andere regels voor bouwen, milieu en leefomgeving. Bijvoorbeeld als je een omgevingsvergunning aanvraagt voor een bouwproject, kijkt de gemeente niet alleen naar de beschermde dieren en planten, maar bijvoorbeeld ook naar bodem, water en stikstof uitstoot. Zo wordt alles in één keer meegenomen en ontstaat een compleet beeld van de effecten en risico’s van een project.

Daarnaast kunnen gemeenten en provincies in hun omgevingsplan extra regels opstellen over natuur en beschermde soorten. In een gebied met veel natuurwaarde kunnen strengere eisen gelden, zoals het aanpassen van werktijden, het afbakenen van kwetsbare gebieden of extra monitoring van dieren en planten. Ook kan een project alleen doorgaan als er voldoende maatregelen zijn genomen om schade aan de natuur te voorkomen.

Kortom, soortenbescherming is verweven met andere vergunningseisen en beleidsregels. Dit helpt om natuur mee te nemen in ruimtelijke plannen en geeft initiatiefnemers en toezichthouders duidelijkheid over wat nodig is.
> Lees meer over wanneer je een omgevingsvergunning Flora- en Fauna-activiteiten nodig hebt

Praktische voorbeelden van maatregelen bij soortenbescherming

Soortenbescherming onder de Omgevingswet betekent dus concreet dat er bij iedere ruimtelijke ingreep rekening moet worden gehouden met flora en fauna. Initiatiefnemers zijn daarbij verantwoordelijk voor het voorkomen van schade aan beschermde soorten en hun leefgebied.

Maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • Uitvoeren van een vooronderzoek om vast te stellen welke beschermde soorten aanwezig zijn

    Dit onderzoek, vaak in de vorm van een quickscan of soortspecifiek onderzoek, brengt onder andere in kaart welke soorten zich in het projectgebied bevinden. Op basis daarvan kan worden bepaald welke vervolgstappen of maatregelen nodig zijn.
    > Bekijk onze dienst: Ecologische quickscan of Soortspecifiek onderzoek
  • Plannen van werkzaamheden buiten kwetsbare perioden, zoals het broedseizoen

    Door werkzaamheden slim in te plannen kan verstoring van soorten worden voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan het uitstellen van snoei-, kap- of sloopwerkzaamheden totdat een kwetsbare periode voorbij is.
  • Het nemen van zogenoemde mitigerende maatregelen, zoals het beschermen van verblijfplaatsen of compensatie
    Mitigerende maatregelen beperken de negatieve gevolgen van werkzaamheden voor beschermde soorten. Voorbeelden zijn het plaatsen van vleermuiskasten, tijdelijke afscherming van leefgebieden of het creëren van nieuwe nestlocaties.
  • Volgen van een ecologisch werkprotocol (EWP) tijdens de uitvoering van werkzaamheden

    In een werkprotocol staat precies beschreven hoe werkzaamheden uitgevoerd moeten worden om schade aan flora en fauna te voorkomen. Dit biedt duidelijkheid voor alle betrokken partijen op de bouwplaats en helpt om aan wet- en regelgeving te voldoen.

 

Het doel van deze maatregelen is altijd hetzelfde: het behoud van soorten en hun leefomgeving, zodat de natuur in Nederland beschermd blijft, ook bij menselijke activiteiten en veranderingen in het landschap.

Een zingende roodborst in de top van een boom op een groene achtergrond
Het broedseizoen loopt van half maart tot half juli, daarin broed onder andere de roodborst

Hoe werkt soortenbescherming juridisch gezien?

Onder de Omgevingswet geldt voor beschermde soorten min of meer het ‘nee, tenzij’-principe. Dat betekent dat schadelijke handelingen aan beschermde dieren, planten of hun verblijfplaatsen verboden zijn, tenzij er een uitzondering geldt. Weet je, of kun je redelijkerwijs vermoeden, dat jouw activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor een beschermde soort? Dan ben je verplicht om vooraf te onderzoeken of een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit nodig is.

Een belangrijke uitzondering op de vergunningplicht is werken volgens een gedragscode. Voor bepaalde sectoren (zoals bouw, landbouw of infrastructuurbeheer) zijn gedragscodes opgesteld waarin staat hoe je werkzaamheden zorgvuldig en binnen de wet kunt uitvoeren. Werk je conform een goedgekeurde gedragscode, dan geldt er een vrijstelling van een deel van de verbodsbepalingen, en hoef je voor die specifieke werkzaamheden geen aparte vergunningsprocedure te doorlopen. Let op: een gedragscode is geen vrijbrief om zomaar te werken. Je moet kunnen aantonen dat je daadwerkelijk volgens de voorgeschreven stappen hebt gehandeld.

Daarnaast is het goed om te weten dat niet alle soorten evenveel bescherming krijgen. Sommige beschermde soorten kennen specifieke uitzonderingen, bijvoorbeeld in het kader van het voorkomen van gewasschade. Voor deze soorten kan onder voorwaarden beheer worden uitgevoerd zonder dat steeds een individuele vergunning nodig is. Dit verandert echter niets aan het uitgangspunt voor de meeste situaties bij (ver)bouw. Ga er vanuit dat onderzoek en eventueel een vergunning nodig zijn, totdat het tegendeel is bewezen.

Verschilt soortenbescherming per provincie of gemeente?

De landelijke bescherming (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten) geldt overal, maar provincies en gemeenten kunnen via hun omgevingsverordening of omgevingsplan aanvullende regels stellen, bijvoorbeeld voor specifieke gebieden.

Ecologische stappen binnen projecten, van quickscan tot maatregelen

Als een project mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten, begint het vaak met een quickscan. Het is een snelle eerste inventarisatie om te kijken of er risico’s zijn voor planten of dieren. Dit is middels een bureauonderzoek en veldbezoek.

Als er kans is op negatieve effecten, volgt een uitgebreider ecologisch onderzoek. Een ecoloog onderzoekt dan welke soorten aanwezig zijn, in welke aantallen en in welke perioden bijvoorbeeld het broedseizoen. Op basis daarvan kunnen maatregelen worden voorgesteld, zoals werkzaamheden buiten kwetsbare perioden plannen of het treffen van andere speciale maatregelen.

Veelal wordt alles vastgelegd in een document of wordt er een ecologisch protocol opgesteld. Dit plan geeft duidelijk aan welke maatregelen worden genomen, wie verantwoordelijk is en hoe effecten worden gecontroleerd. Op deze manier zorgt het proces ervoor dat beschermde soorten beter worden beschermd, terwijl projecten op een praktische manier kunnen doorgaan.
> Lees meer over welke ecologische dienst je wanneer nodig hebt of bekijk onze diensten

Veelgestelde vragen over soortenbescherming en de Omgevingswet

Ja. Soortenbescherming geldt overal in Nederland, ook op eigen terrein. Het maakt voor de wet niet uit of je een groot bouwproject uitvoert of een schuurtje in je achtertuin sloopt. Zodra je activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor een beschermde soort, ben je verplicht om daar rekening mee te houden.

Een eigen beoordeling is sterk af te raden. De juridische status van een soort bepaalt welke regels gelden, en dat onderscheid is niet altijd vanzelfsprekend. Een ecoloog kan dit betrouwbaar vaststellen, bijvoorbeeld door een quickscan flora en fauna.

Dan loop je het risico op handhaving door de gemeente of omgevingsdienst, wat kan leiden tot een bouwstop, een boete of de verplichting om herstelmaatregelen te nemen. Dit kost vrijwel altijd meer tijd en geld dan vooraf onderzoek laten doen.

Ze werken samen, niet los van elkaar. De Omgevingswet (en onderlinge besluiten zoals Bal) vormt de landelijke basis. Hierin staat welke soorten beschermd zijn en welke verbodsbepalingen altijd gelden, waar je ook bent in Nederland. Een gemeente kan in haar omgevingsplan echter extra regels opnemen die specifiek zijn voor de lokale situatie.

Conclusie: Soortenbescherming is van groot belang bij projecten

De soortenbescherming onder de Omgevingswet bouwt voort op de voorgaande Wet natuurbescherming, maar is vooral breder. Drie hoofdgroepen soorten vallen onder de bescherming: inheemse vogels, soorten van de Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten. Door je aan de Omgevingswet te houden voorkom je juridische risico’s en eventuele bijhorende consequenties.

De zorgplicht is altijd van kracht en verplicht tot onderzoek en preventieve maatregelen. Door hier rekening mee te houden, kunnen werkzaamheden plaatsvinden zonder schade aan beschermde soorten en hun verblijfplaatsen, waardoor biodiversiteit behouden blijft in een veranderende leefomgeving.

Zoek je ecologische specialisten om te voldoen aan de Omgevingswet? Of een langdurige samenwerkingspartner? Neem contact met ons op voor een vrijblijvend advies.